Bron: Dan Kovalik en John Perry,
 MR-online 12 april 2023 ~~~

Vijf jaar geleden werd Nicaragua onderworpen aan een gewelddadige couppoging die duurde van april tot en met juli 2018. In het eerste van vier artikelen bekijken we hoe die gepland was en hoe hij begon.

El “comandito” in Masaya werd de eerste dag vernield door de gewelddadige oppositie. Het werd toen gebruikt voor vergaderingen. Nu is het herbouwd en is het een museum.

In de eerste maanden van 2018 leek Nicaragua nauwelijks een sterke kandidaat voor een couppoging. De regering van Daniel Ortega had een paar maanden eerder in een peiling een goedkeuringspercentage van 80 procent. Er waren acht jaren van onafgebroken economische groei geweest, waarin het land 90 procent voedselsoevereiniteit bereikte en de honger met 40 procent terugdrong (volgens de wereldwijde hongerindex van de VN). In het decennium nadat Ortega opnieuw tot president was gekozen, had zijn regering de openbare gezondheidszorg en het onderwijs opnieuw opgebouwd, de wegen van het land opnieuw geasfalteerd en een betrouwbare, vrijwel landelijke elektriciteitsvoorziening tot stand gebracht, grotendeels op basis van hernieuwbare energiebronnen. Het was niet verwonderlijk dat de Sandinistische regering bij drie opeenvolgende verkiezingen meer stemmen had gekregen. Zelfs de internationale media, hoewel vijandig tegenover Daniel Ortega, moesten toegeven dat hij “de populaire steun onder de armere Nicaraguanen had verstevigd” (The Guardian) en dat “veel arme mensen die huisvesting en andere overheidsuitkeringen ontvangen hem steunen” (The New York Times).

Maar juist dit succes bracht gevaar met zich mee. Zoals Dan Kovalik’s nieuwe boek Nicaragua: A History of US Intervention and Resistance wijst erop dat het vanuit het perspectief van Washington opnieuw “de dreiging inhield van een goed voorbeeld… Er moest iets gedaan worden aan Ortega’s sterke steun onder de bevolking.” Nicaragua was de enige uitzondering in een Centraal-Amerika dat grotendeels onderworpen was aan de politieke en economische invloed van de VS, vooral nadat de staatsgreep in het naburige Honduras in 2009 de progressieve president Mel Zelaya ten val had gebracht. Washington had geprobeerd en gefaald om Ortega in 2007 van de macht af te houden en was nu vastbesloten het opnieuw te proberen. Het succes van de Sandinisten had de taak veel moeilijker gemaakt, maar de VS meenden openingen te hebben gevonden die zij konden benutten.

De historische markt in Masaya die de gewelddadige coupplegers in brand staken in
2018. Zoals hier te zien, herstelden de Sandinisten de markt in korte tijd.
(Foto: Daniel Kovalik)

De harde kern van dissidenten kwam van kleine en verdeelde anti-Sandinistische politieke partijen. Geen van hen was in staat om alleen aan de macht te komen, en zij waren gehandicapt doordat zij slechts één gemeenschappelijk doel hadden: Daniel Ortega afzetten. Als zij hun meningsverschillen tijdelijk konden begraven, zouden zij de steun kunnen verwerven van de relatief kleine hogere klasse van Nicaragua en van mensen uit de middenklasse wier mening zou kunnen worden beïnvloed door een krachtige anti-regeringscampagne. Nadat deze groepen bij elkaar waren gebracht, waarschuwde de Amerikaanse ambassade de werkgeversorganisatie COSEP dat zij moest afzien van samenwerking met de regering, onder verwijzing naar de behandeling van de NICA-wet door het Amerikaanse Congres en het dreigement met economische sancties als Nicaragua zich niet aan het Amerikaanse beleid zou houden.

Zoals het boek van Kovalik uitlegt, stelde de relatief soepele regulering van lokale non-profitorganisaties in Nicaragua de VS in staat om maar liefst 200 miljoen dollar te pompen in oppositiemedia, NGO’s en “mensenrechten”-organen via agentschappen als de National Endowment for Democracy (NED) en USAID. Kenneth Wollack, nu voorzitter van de NED, schepte al snel op tegenover het Amerikaanse Congres dat verschillende Amerikaanse agentschappen ongeveer 8.000 jonge Nicaraguanen hadden opgeleid in “democratiebevordering”. Inderdaad, zoals het door NED gefinancierde Global Americans zei, legden deze agentschappen “de basis voor opstand”. Met de training van USAID zouden veel van deze jongeren bijdragen aan de enorme sociale mediacampagne die klaar stond om te beginnen. In stilte werden voorraden geld, wapens, drugs en voedsel aangelegd voor gebruik bij de couppoging. Jongeren uit armere en vaak criminele groepen zouden al snel dagelijks 10 tot 15 dollar ontvangen om wegversperringen op te zetten en te verdedigen en zo de controle te krijgen over wijken in belangrijke steden.

Er waren nog twee andere belangrijke componenten. Amerikaanse agentschappen staken middelen in lokale media van de oppositie, zoals de krant La Prensa en de websites Confidencial en 100%Noticias. Hetzelfde gebeurde met plaatselijke agentschappen voor “mensenrechten” (waarvan er één in feite in de jaren tachtig door de regering-Reagan was opgericht), die ervoor zouden zorgen dat eventuele slachtoffers in het komende conflict de regering in de schoenen zouden worden geschoven. Zowel de “onafhankelijke” media als de “mensenrechten”-groepen zouden later door de internationale media en instanties als Amnesty International kritiekloos als authentieke bronnen worden aanvaard.

Na deze voorbereidingen was er alleen nog een geschikte vonk nodig om het opstandige vuur aan te wakkeren. Begin april zag het ernaar uit dat dit (letterlijk) was gebeurd door een natuurbrand in het afgelegen Indio Maiz bosreservaat. Ondanks pogingen van de regering om de brand te blussen, ontstonden al snel protesten van jongeren tegen haar “passiviteit”, die door de internationale media werden opgepikt. De onrust hield echter slechts enkele dagen aan: met hulp van onvoorziene regen werd de brand geblust.

Later diezelfde maand deed zich een tweede gelegenheid voor. Zoals vele regeringen stond Nicaragua onder druk om zijn openbare pensioenstelsel te hervormen, waarvan de financiën onhoudbaar waren geworden. De regering was ingegaan tegen de oproep van de particuliere sector om de pensioenen sterk te verlagen en stelde veel lagere kortingen voor – met als tegenprestatie een verbetering van de gezondheidszorg voor gepensioneerden. In andere omstandigheden zouden de veranderingen oncontroversieel zijn geweest, maar, opgezweept door rechtse kranten en sociale media, vonden er enkele kleine protesten van ouderen plaats. Zij kregen al snel gezelschap van “studenten” die plotseling een onwaarschijnlijke belangstelling voor pensioenen hadden en in sommige steden van delinquente groepen die werden georkestreerd door oppositieleiders zoals de ex-Sandinistische guerrillastrijdster Dora Maria Tellez. Op 18 april vonden gewelddadige confrontaties plaats tussen oppositiegroepen en de politie of jonge Sandinisten, waaronder aanvallen op revolutionaire monumenten zoals het historische “commandocentrum” in Masaya. Hoewel er die dag niemand werd gedood, kwam de sociale mediacampagne op gang: duizenden Facebook-berichten beweerden dat er doden waren gevallen door schietpartijen van de politie die niet hadden plaatsgevonden of andere oorzaken hadden.

Reynaldo Urbino Cuadra werd wakker in de katholieke kerk in Masaya nadat hij was
ontvoerd door gewelddadige coupplegers en ontdekte dat hij zo gemarteld was…
dat hij zijn linkerarm niet meer kon bewegen. Die arm werd uiteindelijk
geamputeerd. (Foto: Daniel Kovalik)

Op 19 april was de weg vrij voor meer geweld, omdat “studenten” plotseling konden beschikken over honderden zelfgemaakte mortiergeweren, die werden ingezet bij wegversperringen (“tranques”) die waren gemaakt door straatstenen op te breken. Op die dag werd de eerste van 22 politieagenten gedood. Een tweede werd op 21 april doodgeschoten en binnen slechts vier dagen waren er 121 gewonden, voornamelijk als gevolg van geweerschoten. De couppoging was begonnen.

Een volgende artikel zal het verhaal oppakken en de “nationale dialoog” bespreken die in mei 2018 begon, maar die geen einde maakte aan het geweld.

Topfoto: Ortega onlangs met Maduro. (Photo: cuadernosandinista.com)

Daniel Kovalik is Senior Research Fellow bij de Council on Hemispheric Affairs. Hij doceert Internationale Mensenrechten aan de Universiteit van Pittsburgh School of Law. John Perry is een COHA Senior Research Fellow en schrijver die woont in Masaya, Nicaragua.


Gerelateerd (berichten in dit archief):

——

Over de staatsgreep van april 2018