Bron: Vijay Prashad, 
TriContinental, 
cubanismo op 11 juli 2021 ~~~

Tweehonderd jaar geleden, op 24 juni 1821, versloegen de troepen van Simón Bolívar (1783-1830) de Spaanse royalisten tijdens de Slag om Carabobo, enkele honderden kilometers ten westen van Caracas, Venezuela. Vijf dagen later zette Bolívar triomfantelijk voet aan wal in Caracas. De Spaanse forten van Cartagena en Puerto Cabello waren ingenomen door het leger van “de Bevrijder”, wat Spanje schaakmat zette. In Cúcuta kwam ondertussen een congres samen om een nieuwe grondwet op te stellen en Bolívar als president aan te stellen.

Een artikel van Vijay Prashad, onze gast op Che Presente

Bolívar, die ondertussen hoofd was geworden van de Republiek Groot-Colombia (hedendaags Colombia en Venezuela), zat niet stil. Te paard trok hij zuidwaarts richting Quito[1], waar de troepen van Spanje nog aanwezig waren, tot ze ook daar werden verslagen op 24 mei 1822 tijdens de slag om Pichincha.

Het zou daarna nog twee jaar duren vooraleer de Spanjaarden volledig werden verdreven uit het Zuid-Amerikaanse halfrond, maar de trend was onvermijdelijk gezet. De Slag om Carabobo was de doodsteek voor de imperialistische geestdrift van de Spaanse monarchie.

De Spaanse monarchie verloor stilaan zijn grip op de Amerika’s, maar andere bedreigingen loerden om de hoek. Op 2 december 1823 verklaarde toenmalig president van de VS, James Monroe, aan het VS-Congres dat Amerika niet langer het domein was van de oude Europese grootmachten.

Toch hield de Monroe-dcotrine niet in dat de verschillende delen van Amerika, waaronder Groot-Colombia, hierdoor soeverein zouden worden. Deze doctrine betekende dat voortaan de Verenigde Staten van Amerika zich konden gedragen alsof het een oude imperialistische grootmacht in het halfrond was, een trend die duidelijker zou worden door de steeds meer innovatieve militaire technologie van de VS.

Duidelijkheid over de doelstellingen van de Monroe-doctrine kwam er in twee fases. Ten eerste was er het gedrag van de VS, wiens gewapende troepen over het hele continent intervenieerden, van Peru (1835-36) over Guatemala (1885) tot Cuba en Puerto Rico (1898). Ten tweede was er president Theodore Roosevelts bijdrage aan de doctrine in 1904, inclusief het recht voor de VS om in te grijpen als – in Roosevelts eigen woorden – een “internationale politiemacht” in het halfrond.

Pueblos originarios (oorspronkelijke volkeren), César Mosquera, Utopix 2021

Bolívar begreep de aard van deze nieuwe bedreiging. In zijn briefwisseling met Brits zaakgelastigde Patrick Campbell in 1829, schreef Bolívar dat de VS “voorbestemd waren om Amerika te kwellen in naam van de vrijheid”. Daarom riep hij in 1926 een congres samen in Panama[2] om een draagvlak voor politieke eenheid te creëren. Helaas kwamen slechts enkele van de nieuwe staten naar Panama. Regionale eenheid bleef een droom, toch waren er altijd aanhangers te vinden die het werkelijkheid wilden maken.

In de 20ste eeuw deed ook Hugo Chávez een poging tot regionale eenheid in de Amerika’s. Hij noemde de revolutionaire processen in Venezuela en Latijns-Amerika terecht de Bolivariaanse Revolutie. “Wat we waarnemen in de periode tussen 1810 en 1830 is de blauwdruk van een nationaal project voor Zuid-Amerika”, verklaarde hij. Dit is het project dat hij dan ook invoerde in Venezuela en de regio door de oprichting in 2004 van de Alianza Bolivariana para los Pueblos de Nuestra América (ALBA[3]) en de Unión de Naciones Suramericanas (UNASUR), beiden gesticht in 2004.

Al sinds Chávez’ eerste verkiezingsoverwinning in 1998 probeert de VS het Bolivariaanse proces te dwarsbomen. De stank van Monroe doordringt het beleid van de VS, terwijl Venezolaans verzet wordt versterkt door de animo van Carabobo. Rancuneuze sancties van de VS tegen Venezuela, in het leven geroepen met als doel het Bolivarisme te doen wankelen, blijven ook tijdens de huidige pandemie voortduren.

In 2020 zorgde druk van het US Department of the Treasury (het Ministerie van Financiën) er nog voor dat het  Internationaal Monetair Fonds Venezuela de toegang niet kon verlenen om zijn eigen fondsen en andere noodbudgetten te benutten voor de bestrijding van de pandemie.

Tussen april en mei 2021 gaf Venezuela de Zwitserse bank UBS de volmacht om het COVAX-mechanisme 10 miljoen dollar (ongeveer 8,5 miljoen euro) te betalen voor de aankoop van COVID-vaccins. Op 7 juni liet COVAX echter weten dat UBS deze betaling had geblokkeerd. De bank voelde immers de zware druk van het VS-beleid op zijn schouders.

Llaneros (gewone mensen), Utopix 2021

Tijdens de G7-top in Wales kwamen de zeven regeringen, van de VS tot Duitsland, overeen dat hun taal over de voorziening van vaccins voortaan wat getemperd zou worden. De belofte om wereldwijd een voorraad van één miljard vaccins te verdelen, kwam er zonder specifieke concrete richtlijnen. Het is ondertussen alom geweten dat beloften die worden gemaakt tijdens G7-vergadering nauwelijks worden nagekomen.

VN-secretaris-generaal António Guterres stelde de krantenkoppen over een miljard vaccins dan ook in vraag. “We hebben meer nodig dan dat”, liet hij weten. “We hebben nood aan een mondiaal vaccinatieplan, met een verhoogde vaccinproductie en ‘een noodeenheid’ om ontwerp en implementatie van dit mondiale vaccinatieplan te garanderen.”

Hiertoe spraken drie belangrijke stemmen van Azië, Afrika en Latijns-Amerika zich uit: K.K. Shailaja (voormalig minister van Volksgezondheid van de deelstaat Kerala in India), Anyang’ Nyong’o (gouverneur van de provincie Kisumu in Kenia) en Rogelio Mayta (minister van Buitenlandse Zaken van Bolivia). Samen schreven ze dit over vaccinatie-internationalisme. Ze kwamen met drie voorstellen op de proppen:

  1. Verwijder alle intellectuele eigendomspatenten op de vaccins
  2. Deel de kennis over de productie van de vaccins
  3. Focus op collectieve ongehoorzaamheid om intellectuele eigendomsrechten te omzeilen

In hun eigen woorden die doordrongen van de geest van Carabobo betekent dit derde voorstel:

“Bepaalde voorzieningen om intellectuele eigendomsrechten te omzeilen bestaan reeds, bijvoorbeeld de verklaring van de VN-Wereldgezondheidsorganisatie van Doha-2001. Toch lijken landen terughoudend in hun acties vanwege de angst voor sancties van bepaalde regeringen en voor vergeldingsacties van Big Pharma. We zullen bekijken hoe we nationale wetgeving kunnen invoeren die intellectuele eigendomsrechten collectief omzeilt en zo een geloofwaardige bedreiging te creëren voor het huidige farmaceutische monopoliemodel.”

Collectieve ongehoorzaamheid omvat twee elementen. Ten eerste erkent ze de kilheid van ‘bepaalde regeringen’ die sancties zullen opleggen aan iedereen die het aandurft de wurggreep van het TRIPS-verdrag[4] te verbreken. Dit verdrag van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) over handelsgerelateerde aspecten van intellectuele eigendom komt uitsluitend ten goede van de Big Pharma. Ten tweede promoot het de moedige suggestie voor naties uit het Globale Zuiden om in eigen land legale middelen te vinden om de grote farmaceutische bedrijven buitenspel te zetten en collectieve kennis te vrijwaren. Er schuilt een zeker realisme in die laatste suggestie. Het zou veel krachtiger zijn mochten de landen in het Zuiden – zeker de 25 staten die meer geld besteden aan schuldaflossing dan aan gezondheidszorg – zouden samenwerken om zo een sterk front te vormen voor vaccine-internationalisme.

Maar dit soort brede regionale solidariteit is tegenwoordig niet makkelijk te bekomen, aangezien de regionale en mondiale platformen – inclusief de 60-jaar oude Beweging van Niet-Gebonden Landen (NAM) – sterk verzwakt zijn. Het versterken van regionalisme was dan ook een van de hoekstenen van Chávez’ project en van de Bolivariaanse Beweging.

Ejército de Zamora (leger van Zamora), Utopix 2021

Volgens Chávez was regionalisme niet alleen maar een platform voor gedeelde markten en instellingen om zo de belangen van multinationale bedrijven en nationale elites te behartigen. Dit is het soort regionalisme dat de EU aanhangt bijvoorbeeld. Het is tevens niet voldoende om een regionalisme te ontwikkelen dat beperkt wordt door de ideologie van cultuur, wat vaak het geval was in bijvoorbeeld het pan-Arabisme of pan-Azianisme.

De immense macht van multinationals noodzaakt bepaalde barrières, die mogelijks niet langer kunnen opgezet worden door individuele landen, omdat die vatbaar zijn voor sancties en bedreigingen. Wat daarentegen nodig is, is een breder platform, een eenheid van volledige continenten of van delen van de wereld die weigeren zich nog langer te buigen naar de macht van de G7 of van bepaalde multinationals.

Dit soort regionalisme gaat verder dan de eenheid van enkele landen in een continent. Het vereist dat de macht in minstens bepaalde kernlanden in de handen komt van de werkende bevolking en van de landbouwersbevolking. Enkel een overheid gesteund door de massa van de bevolking heeft immers de kracht zich te verzetten tegen de autoriteit en macht van ‘bepaalde regeringen’, zoals Shailaja, Nyong’o en Mayta het weloverwogen stellen.

Terwijl Bolívar zijn dood afwachtte in Santa Marta (in het huidige Colombia), las zijn dokter hem voor uit Franse kranten. Zo botsten ze op een lied dat door de partizanen tijdens de Julirevolutie van 1830 werd gezongen toen ze het Hôtel de Ville binnenvielen om Parijs te veroveren:

“Amerika, om ons aan te moedigen,
Kijkt naar ons van veraf.
Haar vuurring van republieken
Werd aangestoken door Bolívar.”

De herinnering aan Carabobo houdt het vuur in de gemeenschappen van Venezuela brandend, in de straten van Colombia, de boerenopstanden in India en de krottenwijken van Zuid-Afrika.

Warme groeten, Vijay

Het Tricontinental Institute for Social Research is een internationale instelling voor intellectueel debat ten dienste van de verwachtingen der volkeren van de wereld, onder leiding van Indiaas historicus en journalist Vijay Prashad. Je kan Tricontinental volgen via hun wekelijkse nieuwsbrief. Nieuwsbrief 25 verbindt het heden met de overwinning van Simon Bolívar op de Spaanse kolonialen 200 jaar geleden.

Topfoto: Batalla de Carabobo (slag van Carabobo), Kael Abello, Utopix 2021